Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA6821

Datum uitspraak2007-10-12
Datum gepubliceerd2007-10-12
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR06/148HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over de beëindiging van partneralimentatie op de voet van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie na scheiding; motiveringseisen; behoefte vrouw, draagkracht man, redelijkheid en billijkheid.


Conclusie anoniem

Zaaknr. R06/148HR Mr. Huydecoper Parket, 8 juni 2007 Conclusie inzake [De vrouw] verzoekster tot cassatie tegen [De man] verweerder in cassatie Feiten(1) en procesverloop 1) Het gaat in deze zaak om beëindiging van een alimentatieverplichting op grond van de Wet van 28 april 1994, Stb. 324 (zoals gewijzigd bij wet van diezelfde datum, Stb. 325). In de wandeling staat deze wet bekend als (en die is ook door mij verder aan te duiden als): de WLA(2). Hier betrof het de regeling van art. II lid 2 en 3, uit de overgangsbepalingen bij deze wet(3); oftewel de regeling voor "oude gevallen". Daarbij zijn de volgende feiten vastgesteld: 2) Partijen zijn op 2 juli 1965 getrouwd. In 1986 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. Daarbij is bepaald dat de verweerder in cassatie, [de man], aan de verzoekster tot cassatie, [de vrouw], een alimentatie moest betalen van f 4.000,00 (€ 1.815,12) per maand. [De man] is geboren op [geboortedatum] 1936, [de vrouw] [geboortedatum] 1930. Partijen zijn dus (op dit ogenblik) 70, respectievelijk 77 jaar oud. 3) [De man] heeft verzocht om, kort gezegd, beëindiging van zijn alimentatie-plicht (vooral) in verband met het feit dat de periode waarover alimentatie was betaald reeds aanmerkelijk langer was dan de in art. II lid 2 WLA voorziene duur van 15 jaar. [De vrouw] heeft dit verzoek bestreden, en van haar kant zelfstandig om beslissingen terzake van de alimentatieplicht van [de man] verzocht(4). 4) De rechtbank heeft het verzoek van [de man] in zoverre gehonoreerd, dat beslist werd dat de alimentatieplicht per 1 augustus 2007 zou eindigen. [De man] ging in hoger beroep, en van de kant van [de vrouw] werd incidenteel geappelleerd. Het (incidentele) appel van [de vrouw] had geen succes: het hof bekrachtigde, met overneming van een belangrijk deel van de overwegingen van de rechtbank, de beslissing tot beëindiging van de alimentatie per 1 augustus 2007. 5) Namens [de vrouw] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(5). Van de kant van [de man] is geen verweerschrift ingediend. Bespreking van het cassatiemiddel 6) De (overgangs)bepalingen van art. II lid 2 en lid 3 WLA waarnaar ik eerder verwees, luiden als volgt: "2. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met: - de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is; - de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren; - de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed; - de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet 3. Een rechterlijke uitspraak betreffende de beëindiging van de uitkering tot levenonderhoud als bedoeld in het tweede lid kan niet bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken." 7) Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een beslissing waarbij een beroep van de alimentatiegerechtigde op de in art. II lid 2 WLA vervatte uitzondering wordt verworpen dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging wordt gehonoreerd, terwijl dit een aanmerkelijke aantasting van de inkomsten van de alimentatiegerechtigde tot gevolg heeft, ingrijpend van karakter is. Aan een dergelijke beslissing moeten daarom hoge motiveringseisen worden gesteld(6). Alle relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, moeten dan in aanmerking worden genomen, en in onderling verband worden gewogen. Daarbij geldt wel dat het aan de alimentatiegerechtigde is om (voldoende) gemotiveerd te stellen dat er voor toepassing van deze uitzonderingsregel grond is. Als dat inderdaad gebeurd is(7), moet de rechter doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken(8),(9). 8) De uit deze rechtspraak blijkende omstandigheden, die de Hoge Raad heeft aangemerkt als redengevend voor de verzwaarde motiveringsplicht, doen zich in deze zaak voor. Het hof heeft immers vastgesteld dat wegvallen van de alimentatie voor de vrouw (dat wil zeggen: voor [de vrouw]) ingrijpende gevolgen heeft; en heeft voorts, blijkens rov. 12, op grond van de lange duur van de reeds nagekomen alimentatieplicht en de overige door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden, toch tot limitering besloten. Het gaat hierbij (uitsluitend) om omstandigheden die niet meer voor wijziging vatbaar zijn, zodat de beëindiging - nog afgezien van het bepaalde in art. II lid 3 WLA - een definitief en onherroepelijk karakter heeft. Die twee gegevens - de ingrijpende gevolgen voor de alimentatiegerechtigde en het in beginsel onomkeerbare karakter van de beslissing - zijn, zoals al aangestipt, in de aangehaalde rechtspraak aangewezen als de (voornaamste) redenen voor het aanleggen van een verzwaarde motiveringseis. 9) Één van de omstandigheden waarmee rekening valt te houden bij de beoordeling van de (on)billijkheid van de limitering van een alimentatie ten opzichte van een inmiddels op leeftijd zijnde, en lange tijd met betrokkene getrouwd geweest zijnde gerechtigde, is: de draagkracht van de alimentatieplichtige. Het feit dat deze de alimentatie "zonder enig probleem" kan (blijven) betalen vormt een relevante wegingsfactor(10). (Ik neem, in het verlengde daarvan, aan dat ook het feit dat betaling van de alimentatie de betrokkene voor (slechts) geringe problemen zou stellen, in de afweging mag (en in voorkomend geval dus ook: moet) worden betrokken.) Op deze omstandigheid was van de kant van [de vrouw] een beroep gedaan(11): het incidenteel appel van haar kant berustte onder meer op de expliciet naar voren gebrachte stelling, dat de draagkracht van [de man] in de beoordeling behoorde te worden betrokken, met nadere verwijzing naar het feit dat die draagkracht (ruim) voldoende zou zijn(12). Op dat argument is van de kant van [de man] slechts geantwoord dat "[...] de draagkracht [...] thans niet als argument voor wijziging van de alimentatie door de man (is) gehanteerd."(13). 10) Van dit gegeven blijkt niet, dat het hof dat in de gemaakte afweging heeft betrokken; en (dus) ook niet, wat het hof te dien aanzien heeft vastgesteld, of hoe dat in de afweging heeft meegespeeld. Daaruit volgt, denk ik, dat de bestreden uitspraak niet beantwoordt aan de maatstaven die in de in voetnoot 6 en voetnoot 10 aangehaalde bronnen zijn neergelegd; en dat ook de motivering van de uitspraak niet aan de uit die bronnen blijkende vereisten voldoet. Het cassatiemiddel onder 1 sub a., b. en c. houdt - verscheidene - hierop gerichte klachten in. Die lijken mij dus gegrond. 11) Of iets overeenkomstigs ook geldt voor een ander in het cassatiemiddel aangewezen gegeven - namelijk: nadere aanduiding, in de motivering, van de mate waarin/de wijze waarop van de alimentatiegerechtigde een bepaalde aanwending van het tot zijn (of haar) beschikking staande vermogen mag worden verlangd(14) -, kan dan in het midden blijven. De rol van het aan [de vrouw] beschikbaar staande vermogen zal, bij gegrondbevinding van de klachten waar het hiervóór over ging, immers in de na verwijzing te maken (nieuwe) afweging alsnog moeten worden "meegenomen". Mij lijkt de klacht op dit punt overigens niet gegrond. Volgens mij heeft het hof zich slechts aangesloten bij de vaststelling van de rechtbank, dat het vermogen [de vrouw] enige inkomsten opleverde. Dat is een erg voor de hand liggende vaststelling, en dit gegeven was in de appelinstantie ook niet aangevochten. Dan zou het een overtrekking opleveren van ook een zwaar aangezette motiveringseis, wanneer van een oordeel als dit nadere motivering werd verlangd(15). 12) Onderdeel 2 van het middel voegt, meen ik, geen inhoudelijke argumenten toe aan wat reeds in onderdeel 1 is aangevoerd. Het onderdeel gaat ervan uit dat het hof zich per saldo alléén heeft georienteerd op de lange duur waarover [de man] reeds aan de alimentatieverplichting heeft voldaan, en betoogt dat dat in de gegeven omstandigheden onvoldoende is. Dat is inderdaad het geval als men - zoals ik doe, en zoals onderdeel 1 van het middel aanvoert - aanneemt dat ook andere wezenlijke gegevens waren aangevoerd,en dat daaraan aandacht had moeten worden besteed; maar deze klacht staat of valt dan met de gegrondheid van de klachten van onderdeel 1. Conclusie Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing, met - als gebruikelijk - compensatie van de kosten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Ontleend aan de beschikking uit de eerste aanleg van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2005. Blijkens de in cassatie bestreden beschikking (p. 2) is ook het hof van deze feiten uitgegaan. 2 De afkorting is, zoals bekend, afgeleid van: wet betreffende limitering van alimentatie na scheiding. 3 Deze bepalingen - die overigens in alinea 6 hierna worden aangehaald - kunnen onder andere worden geraadpleegd in Personen- en familierecht (losbl.), Wortmann, art. 157, aant. 5 (p. Art. 157 - 74) of T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3 en 4, 2005, Koens, art. 1:157, aant. 10. 4 De beslissing(en) op de verzoeken van [de vrouw] is/zijn in het onderhavige cassatiegeding niet aan de orde; ik ga daaraan dan ook verder voorbij. 5 De beschikking van het hof is van 2 augustus 2006. Het cassatierekest is gedateerd 31 oktober 2006. Het is ook op die dag bij de griffie ingekomen. 6 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, 654 en 655 m.nt. Sylvia Wortmann onder nr. 655, rov. 3.4, 3.3 en 3.3 respectievelijk; bevestigd in de sedertdien verschenen rechtspraak, o.a. HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392 m.nt. Sylvia Wortmann, rov. 3.3; HR 5 september 2003, NJ 2003, 618, rov. 3.4; HR 29 september 2006, NJ 2006, 535, rov. 3.4.2. Zie ook Personen- en familierecht (losbl.), Wortmann, art. 157, aant. 5 (vooral p. Art. 157 - 69 t/m p. Art. 157 - 76); Asser - De Boer, 2006, nr. 633d; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3 en 4, 2005, Koens, art. 1:157, aant. 4 onder "Overgangsrecht". 7 Zie voor een verbijzondering met betrekking tot de stelplicht als het gaat om gegevens die zich aan de kant van de alimentatieplichtige voordoen, HR 29 september 2006, NJ 2006, 535, rov. 3.5.2. 8 Zie ook HR 5 september 2003, NJ 2003, 618, rov. 3.4. 9 Zie ook alinea's 2.1 en 2.2 van de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 6 april 2007, RvdW 2007, 380 (rechtspraak.nl LJN AZ6099). 10 HR 16 maart 2007, RvdW 2007, 302, rov. 3.5; HR 10 november 2006, NJ 2006, 609, rov. 3.4.3; zie ook HR 16 maart 2007, RvdW 2007, 303, rov. 4.2.2. 11 Daarbij werd ook bestreden, de vaststelling van de rechtbank dat de man door het op de leeftijd van achtenzestig jaar (nog) uitoefenen van de tandartspraktijk, nog in staat was de [...] alimentatie te voldoen. Voorzover het hof ook deze vaststelling van de rechtbank (die dus van de kant van [de vrouw] met zovele woorden in appel was bestreden) mocht hebben gerekend tot de "gronden van de rechtbank, die het hof tot de zijne maakt", zou het oordeel van het hof om die reden een motiveringsgebrek vertonen. (Ik merk intussen op dat men kan betwijfelen of er over dit (op een niet erg aannemelijke uitleg van de beslissing van het hof teruggrijpende) gebrek, in cassatie wel geklaagd wordt.) 12 Verweerschrift e.a. namens [de vrouw] in appel, p. 8 en 9; zie ook de pleitaantekeningen in appel van de kant van [de vrouw], p. 2 (onderste alinea). 13 Verweerschrift op het incidenteel appel, p. 2 bovenaan. (De door mij bedoelde passage wordt in extenso aangehaald op p. 9 van het cassatierekest.) 14 P. 6, onderste alinea van het cassatierekest, nogmaals "opgebracht" op p. 8, voorlaatste alinea. 15 Anders dan in het geval van HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392 (rov. 3.5), geldt in deze zaak dus ook niet, dat specifieke argumenten over dit onderwerp aan de (appel)rechter waren voorgelegd.


Uitspraak

12 oktober 2007 Eerste Kamer Rek.nr. R06/148HR MK Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. G.S.A.J. Koot-Kuis, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 6 september 2004 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, te verklaren voor recht dat de man niet langer alimentatieplichtig is jegens de vrouw, althans de alimentatie te bepalen op nihil. De vrouw heeft het verzoek bestreden en tevens zelfstandige verzoeken ingediend. De rechtbank heeft bij beschikking van 6 juli 2005, voorzover in cassatie van belang, bepaald dat de alimentatieverplichting van de man zal eindigen per 1 augustus 2007. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 2 augustus 2006 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, in het principale en het incidentele hoger beroep de bestreden beschikking voor zover het betreft de beëindiging van de alimentatieverplichting van de man per 1 augustus 2007 bekrachtigd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man is in cassatie niet verschenen. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en verwijzing. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Partijen - de man, geboren op [geboortedatum] 1936, en de vrouw, geboren op [geboortedatum] 1930 - zijn op 2 juli 1965 gehuwd. Bij op 22 augustus 1986 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven vonnis van 26 mei 1986 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van ƒ 4.000,-- (€ 1.815,12) per maand. 3.2 De man heeft verzocht om, samengevat, beëindiging van zijn alimentatieplicht en wel in hoofdzaak in verband met het gegeven dat de periode waarover hij alimentatie heeft betaald de termijn van vijftien jaren van art. II lid 2 WLA reeds aanzienlijk heeft overschreden. De rechtbank heeft het verzoek van de man aldus gehonoreerd dat zijn alimentatieplicht zou eindigen per 1 augustus 2007. Het hof heeft de beslissing tot beëindiging van de alimentatie per 1 augustus 2007 bekrachtigd. 3.3 Het hof heeft in rov. 11 geoordeeld dat een vermindering van het besteedbaar inkomen van de vrouw met een bedrag van ongeveer € 1.000,-- netto per maand als gevolg van het wegvallen van de alimentatie zó ingrijpend van aard is, dat dit op dit moment in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. In rov. 12 heeft het hof evenwel op grond van de redelijkheid en billijkheid geoordeeld dat een termijn gesteld dient te worden waarop de alimentatieverplichting wél wordt beëindigd, omdat de man reeds bijna 20 jaren aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw heeft voldaan. Het hof heeft, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, bepaald dat de alimentatieverplichting van de man dient te eindigen op 1 augustus 2007. 3.4 Het betreft hier een beslissing waarbij een beroep van de alimentatiegerechtigde op de in art. II lid 2 WLA vervatte uitzondering slechts voor een beperkte termijn en - kennelijk - met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van die termijn wordt gehonoreerd. Een dergelijke beslissing moet aan hoge motiveringseisen voldoen, zoals uiteengezet in de beschikkingen van de Hoge Raad van 26 maart 1999, nrs. R98/014, R98/087 en R98/116, NJ 1999, 653, 654 en 655. Aan deze eisen voldoet de bestreden beschikking niet. Uit de beschikking blijkt immers niet dat het hof de door de vrouw in hoger beroep aangevoerde omstandigheid dat de draagkracht van de man ruim voldoende zou zijn, in zijn afweging heeft betrokken. De hierop gerichte klachten van het middel slagen derhalve. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 augustus 2006; verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 oktober 2007.